Om op school mee te kunnen komen met taal en rekenen, moet een kind het stadium van het concreet-operationeel denken hebben bereikt.
Maar niet alleen voor het leren is deze nieuwe vorm van denken belangrijk. Een kind raakt nu ook de angsten kwijt die zo typisch zijn voor de peuter en de kleuter.
Verschil fantasie - werkelijkheid
Hij ziet verschil tussen fantasie en werkelijkheid, tussen zijn innerlijke denkwereld en de realiteit buiten hem. Hij kan de wereld om hem heen beter begrijpen en zoekt geen magische verklaring voor dingen die hij niet snapt.
Een kleuter kan denken dat het zijn schuld is dat zijn kleine broertje zo ziek is. Had hij gisteren nog niet bedacht 'was hij maar dood, dan had ik ook geen last meer van hem'? Daarvoor in de plaats komen nu de 'stel-dat' - angsten. Stel je voor dat de motor van het vliegtuig uitvalt, dan stort het op ons huis.
Volwassen manier van denken
In deze fase gaat de manier van denken steeds meer lijken op die van een volwassene. Maar een kind van deze leeftijd heeft nog wel een concrete voorstelling nodig bij zijn denken.
Formele stadium
Aan het eind van de basisschoolleeftijd gaat het kind over naar het volgende stadium, het formele stadium. Een kind kan zich nu losmaken van de concrete werkelijkheid wanneer hij een probleem moet oplossen. Het abstracte denken doet nu zijn intrede. Niet iedereen bereikt dit stadium. Veel mensen kunnen alleen maar redeneren vanuit een concrete voorstelling.
Afkomstig van: lycos

