Kinderen weten uit zichzelf niet wat kan en wat niet kan, wat mag en wat niet mag.
Dat moeten ze leren, geleidelijk aan. Regels en afspraken kunnen hen daarbij helpen en geven hun ook zekerheid. De eerste stap is om je kind thuis te leren omgaan met regels. Daarna moet het kind dat ook in de opvang, op school en bij familie leren.
Grenzen aangeven
Grenzen aangeven is noodzakelijk. Het zorgt voor veiligheid (bijvoorbeeld: je kind mag niet alleen de trap op) en voor zekerheid: niet alles staat telkens weer ter discussie. Het zorgt er ook voor dat je kind zelfstandig leert worden.
Het leert bijvoorbeeld telkens zijn handen te wassen voor het eten. Het leert je kind ook hoe het met anderen moet omgaan. Speelgoed pak je bijvoorbeeld niet zomaar af; je moet het vragen.
Kind en regels
Kinderen zullen zich meestal houden aan de grenzen die hun worden aangegeven. Van de honderd grenzen zal er misschien één zijn waar je kind tegenaan botst en op reageert. Je kind zal misschien huilen, roepen en toch stiekem iets doen wat niet mag.
Evenwicht
Het is belangrijk om als ouder een evenwicht te vinden tussen ruimte geven en duidelijkheid geven aan je kind. Je geeft al grenzen aan wanneer je kind nog een baby is.
Je zal je baby van 7 maanden bijvoorbeeld leren dat hij niet onmiddellijk wordt opgepakt als hij begint te huilen, of je leert je kruipende baby van 10 maanden dat hij niet aan de stopcontacten mag komen, door hem kordaat op te pakken en dit duidelijk te zeggen.
Afkomstig van: Kind en gezin

